Antisemitische overval in Amsterdam

Het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) bestaat al sinds 1865. Het is een opinietijdschrift en cultureel magazine in één, gericht op de Nederlands-Joodse gemeenschap en iedereen die in het Jodendom in de ruimste zin des woords is geïnteresseerd of zich ermee verbonden voelt.

Sinds de Jom Kippoer oorlog in 1973 lees ik het blad.

Deze week staat er een aangrijpend verhaal in over het echtpaar Blog.

Want vorige maand werd in de Amsterdamse Heemstedestraat een hoogbejaard echtpaar zwaar mishandeld bij een overval in hun eigen woning. De wreedheid van de beroving riep nationale verontwaardiging op. Slachtoffers blijken de Joodse Samuel (87) en Diana (86) Blog te zijn. In het NIW vertellen ze hun verhaal.

Ik neem er zonder commentaar wat stukjes uit over. Vertel er alleen even bij, dat op maandag 14 en dinsdag 15 september Rosj Hasjana (Joods Nieuwjaar) is, op woensdag 23 september Jom Kipoer (Grote Verzoendag) is, op maandag 28 september t/m zondag 4 oktober Soekot (Loofhuttenfeest) is, op maandag 5 oktober Sjemini Atseret (Slotfeest) en op dinsdag 6 oktober Simchat Thora (Vreugde der Wet) is.

pastedGraphic.png

20150905

Echtpaar Blog

Het echtpaar zit aan tafel van een revalidatie-afdeling voor een bord snijbonen en aardappelpuree. Ze zijn er net een paar dagen, na drie weken in het ziekenhuis te hebben gelegen vanwege hun verwondingen. „Ik hoef dit eten niet,” zegt Diana terwijl ze naar haar bord kijkt. „Eten interesseert me niet meer. Ik heb zo’n pijn. Ik ben van binnen gebroken.” Samuel neemt met moeite een hap. Hij is praktisch blind sinds die zwarte dag waarop twee als politiemannen vermomde criminelen zijn appartement binnenvielen. Tot die tijd functioneerden Diana en Samuel zelfstandig. Nu zitten ze allebei in een rolstoel, lopen gaat niet meer. Samuels ogen tranen. Diana vertelt hoe er op de bewuste middag aan de deur werd gebeld: „Ik zei nog tegen mijn man ‘maak de deur niet open’, maar hij deed het toch. Ze riepen ‘politie’ en kwamen naar boven gelopen. Ik stond achter mijn man. Ze duwden ons hardhandig naar binnen. Ik kwam met mijn hoofd tegen de muur.” Diana reikt naar haar achterhoofd. Het is nog steeds beurs, zegt ze. „Samuel hebben ze ook geslagen. Hij zei nog ‘sla niet mijn vrouw, sla mij’. Hij heeft zijn heup gebroken en was helemaal zwart van de blauwe plekken.” Samuel knikt. De foto’s van hem die in de Nederlandse media opdoken, spraken boekdelen en veroorzaakten algehele verontwaardiging. Het echtpaar werd op de grond vastgebonden en Diana moest onder dreiging van een pistool een flesje leegdrinken. „Drugs hebben ze mij gegeven. ‘Dan gaat ze slapen,’ zeiden ze tegen mijn man, ‘dan gaat ze slapen.’ En ze bleven maar schoppen ook nadat we vastgebonden op de grond lagen. De een was mager, en de andere had een dik gezicht.” Samuel: „Ik denk dat de een rond de veertig jaar was en de andere begin vijftig. Ze wisten precies waar ze moesten zoeken en wat ze moesten doen.” De daders waren getint, vertelt Diana. „Ze hadden een Arabisch, Marokkaans uiterlijk, maar ze spraken vloeiend Nederlands.”

‘Vuile Joden’

De vader van Diana was diamantslijper. „Daarom had ik veel juwelen. Ik had een ring om met zeven stenen. Geen kleine. Ongeveer zeven karaat. En nog een ring, met een beetje gelige diamant. Die had ik van mijn moeder gekregen. Alles is weg. Mijn horloge, gouden ketting, en een broche met daarop een diamant die ik van mijn vader had gekregen.” Diana begint te huilen. Samuel zegt: „Vergeet je mijn pinkring niet? Die met een ‘S’, ingezet met een diamant?” Diana: „Ik ben overspannen. Ze wilden mijn vinger eraf snijden toen ik mijn ringen niet snel genoeg afkreeg. Kijk, hier is nog een flinke snee. ‘Jullie vuile Joden,’ zeiden ze. ‘Jullie moeten het niet dragen. Jullie hebben het al te lang gedragen. Nu is het van ons.’”

Diana groeide op in Parijs, waar zij als meisje vanwege het werk van haar vader naartoe verhuisde. Tijdens de oorlog werd het gezin verraden en opgepakt. Diana werd samen met haar moeder, tweelingbroer en andere broer naar Birkenau getransporteerd en daarna naar Auschwitz. Dit was rond haar dertiende jaar. Alleen Diana en haar moeder overleefden de verschrikkingen. Ze laat het nummer op haar arm zien. „En op mijn buik heb ik nog littekens van de hond die mij heeft gebeten in het kamp. Omdat ik niet vlug genoeg liep. Ik ben drieënhalf jaar lang geslagen door de moffen, maar nog meer door deze rotzakken.”

Toekomst

Intussen wordt het toetje op tafel gezet. Rijstepap voor Samuel. Diana heeft haar eten nog niet aangeraakt. „Niets helpt me de bittere smaak van het drankje uit mijn mond te halen. Ik proef het nog steeds.” Ze vertelt dat nadat de mannen weg waren, ze naar het balkon wist te rollen, waarvandaan ze om hulp riep. „Toen kwamen de politie, de ambulance en de brandweer en zijn we naar het ziekenhuis gebracht.” De woning is nog steeds niet vrijgegeven.

Even komt er een glimlach op het gezicht van Diana, als ze vertelt over de steun die ze kregen nadat het nieuws naar buiten kwam. „Zoveel bloemen hebben we gekregen, en zoveel warme reacties uit de buurt. En van de Joodse gemeente zijn er mensen op bezoek geweest. Ook een heel strikte rabbijn. Zo vroom was hij dat hij mij geen hand wilde geven. Zijn zoontje heeft een prachtig lied gezongen. In het Jiddisj.” Samuel: „En van wie kregen we ook weer die heerlijk kippensoep? Van Mouwes toch?” Ook burgemeester Van der Laan kwam spontaan op ziekenbezoek. „Hij is wel een uur geweest, wat een ontzettend aardige man is dat,” vertelt Diana. Terug naar de Heemstedestraat wil het echtpaar niet meer.

„Het is niet leuk. Als ik ’s nachts mensen hoor lopen, schrik ik. Ze zeiden: ‘Als je iets vertelt tegen de politie kom ik je doodschieten.’ Ik ben nog zo bang.”

Ds. Wim Scheltens