Inzet en  verdraagzaamheid

 

In het dagblad Trouw van zaterdag voor Pasen, 15 april 2017, heeft prof. James Kennedy een opmerkelijke column geschreven. Het gaat over Amerikanen, die wel in Jezus geloven maar een hekel aan de kerk hebben.

Hij zegt dan: “Mijn eigen ervaring is dat het vinden en onderhouden van een religieuze gemeenschap heel moeilijk kan zijn, omdat het veel inzet vraagt en verdraagzaamheid in het samenleven met mensen die je niet zelf hebt uitgekozen, waarbij je niet alleen moeten leren leven met hun imperfecties, maar ook met je eigen gebreken.”

Inderdaad: inzet en verdraagzaamheid zijn inspanningen die energie kosten. Je kunt je afvragen: waar doe ik dat allemaal voor?

Als je die vraag stelt en alleen vanuit jezelf redeneert, kun je soms concluderen, dat je niets meer doet voor een ander, omdat je zo vaak teleurgesteld bent in een ander. Dat is een begrijpelijke redenering, die wel helemaal om jezelf heen draait.

Je kunt ook beginnen bij een andere kant. Zoals bij wat Jezus zegt: ‘behandel de ander zoals jij behandeld wilt worden’. En dan komen allerlei zaken in beeld, zoals: vrijwilligerswerk, mantelzorg, kerkelijk werk, contact met buitenlanders.

En dan voel je, hoe zinvol het kan zijn, als je je dienstbaar opstelt.

Ja, je krijgt er ook iets voor terug: gezelligheid, aandacht, arbeidsvreugde, ontdekkingszin.

Kennedy noemt ook een achtergrond van die ‘hekel aan kerk’.

Hij zegt: “Gelovigen die besluiten niet langer naar de kerk te gaan, zijn beïnvloed door vijfhonderd jaar Reformatie, waarin vooral de individuele verantwoordelijkheid en de persoonlijke relatie met God centraal staat. De kerk is slechts een middel tot dit doel en indien de kerk je persoonlijke geloofsleven in de weg staat, is het volgens hen beter om je eraan te onttrekken. Daarom zijn het soms de meest betrokken christenen die zich losmaken van de kerk om een intenser en persoonlijker geloofsleven elders te vinden.”

Kennedy formuleert daarbij ook een waarschuwing: “Maar op lange termijn kan deze keuze een doodlopende weg zijn voor het christelijke geloof. Dit type gelovige lijkt het afgelopen decennium sterk te zijn toegenomen, maar ze bestaan grotendeels uit babyboomers of dertigplussers en het is niet waarschijnlijk dat deze groep opbloeit in seculiere samenlevingen. Ze lijken hun religieuze inspiratie te verkrijgen van de kerken die ze eigenlijk verwerpen.”

Kennedy constateert ook een misvatting: sommigen van zijn vrienden menen dat het juist gemakkelijk is om kerkganger te zijn, omdat je gebaande wegen kunt volgen en je kunt invoegen in bestaande regels en rituelen.

En dan komt Kennedy met die opmerking, dat het vinden en onderhouden van een religieuze gemeenschap heel moeilijk kan zijn. Omdat het inzet en verdraagzaamheid vraagt. Omdat je omgaat met mensen die jezelf niet hebt uitgekozen. En dat er zelf een roeping is om elkaar lief te hebben. Want zo kom je het geheim van de liefde van God voor ons op het spoor.

Daarom vindt Kennedy het ook een te gemakkelijke keuze om de kerkgemeenschap te verwerpen.

Hij wijst op Egypte, waar de kerk een gemeenschap is, die door haar geloofsovertuigingen niet met open armen ontvangen wordt in de samenleving.

En waar gaat het om?

Om te delen in de vreugde en hoop van Pasen.

De Heer ziet ons aan en biedt een luisterend oor.

Zo gaat de levende Heer ons voor.

Reisgenoten

En in die navolging kom je mensen tegen, die je niet zelf het uitgezocht, maar die de Heer gezet heeft op jouw pad.

Waarom? Om zoals Hij reisgenoot is, ook zelf reisgenoot te worden.

Ds. Wim Scheltens