Kerk en Israël

De Israël-zondag valt op de vooravond van Grote Verzoendag (erev Jom kippoer). De joodse feesten buitelen over elkaar heen: Nieuwjaar, (het is: volgens de joodse jaartelling:5764), Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest en Vreugde der Wet. Grote Verzoendag is het hoogtepunt voor alle joden, orthodox, liberaal, ultraorthodox, of werelds. Dat ligt alles stil – daarom is de Jom Kippoer-oorlog zo ondermaats geweest… Het gaat om verzoening met de Allerhoogste, of je Die nu belijdt of niet… Die verzoening van God schenkt je kracht tot verzoening met de naaste, als je daarom bidt. Je krijgt de kans om met een schone lei te beginnen.

Eerst moet de hogepriester voor zichzelf en voor zijn huis een offerlam brengen. De geschiedenis van Eli geeft aan, dat aan de priesters en hun huizen niets menselijks vreemd is. En de schuld van het falen moet vereffend worden. Daarna kan de hogepriester offeren voor het volk. Dat is joodse wijsheid geworden. Vergelding is de tegenhanger van verzoening. Als God zegt: Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden – wijst dat op het unieke van vergelding: niet een mens zal vergelden, maar God. Wie God niet ziet, is geneigd die vergelding zelf te hand te nemen.

En zo ontstaat onmin, vertroebeling van verhoudingen en zelfs onwerkbare wanverhoudingen: je neemt het recht in eigen hand. Je denkt, maakt je zelf wijs, dat je het volste recht daartoe hebt. Grote Verzoendag corrigeert dat.

Israël leest de Schriften en Israël belijdt: zo doet men niet in Israël; de stijl van ‘moet kunnen’ wordt getackeld door: ‘dat doet men niet’.

Als wij over de schouder van Israël in de Schiften lezen, voelen we verbondenheid met Israël (dat niet samenvalt met de politieke werkelijkheid van het Midden-Oosten, maar daar wel nauw mee verbonden blijft).

We raken in de knoop. Want de vergelding giert door de straten en de harten van zoveel mensen van Dan tot Bersheba. Zou ons hart niet neigen tot het gebed Heer, ontferm U over deze nood in de wereld. En zouden we niet ouderwets instemmen met de nodiging: verenigen wij ons in gebed?

Ds. Scheltens