Kleine Vogel

Zondag herdenken we in de kerk mensen die in het afgelopen jaar zijn overleden. De laatste zondag van het kerkelijk jaar is het. Omdat het 2 december de eerste zondag van Advent wordt. Ik moet denken aan een oude dame, die ik niet gekend heb bij haar leven. Toch heb ik de begrafenis geleid, omdat haar nichtje me dat vroeg – in overleg trouwens met haar tante heeft ze dat gedaan. Tante is dan al behoorlijk op leeftijd en haar gezondheid wordt minder. Samen met haar man hebben ze gevaren over woelige baren en ook in rustiger vaarwater zijn ze aan het navigeren geweest met een boot. Ze zijn hun hele huwelijk met zijn tweeën gebleven. Nu is ze verstild in haar kamer in het verzorgingshuis, waar de verzorging voorbeeldig is, dat wel. Een wandeling met haar nichtje heeft er lang in gezeten bij gunstig weer. De bloemen en de vogels hebben op haar volle aandacht kunnen rekenen.

Het nichtje trekt opeens de stoute schoenen aan en zegt rustig en duidelijk: tante, u bent nu op leeftijd, als u nu komt te overlijden, wilt u dan een dienst of wilt u zo…  Nee, lieve meid, ik wil wel een dienst. Kerkelijk ingeschreven is ze niet meer…, maar gedoopt is ze wel. En liederen van Johan de Heer, de oude psalmen en ‘De Heer is mijn Herder’ zingt ze graag mee.

En zo is het gekomen, dat we in de kapel van het huis Psalm 61 lezen over de kleine vogel die schuilen mag onder Gods vleugelen. En op het liturgieblad is een vogel terechtgekomen. Weliswaar de duif van Noach met een groen takje. Maar dat geeft weer ruimte om aan de ark van het behoud te denken en aan de Heilige Geest die op Jezus na zijn doop daalde in de gestalte van een duif. En dat takje van de olijfboom doet denken aan Jezus’ gebed in de Hof der Olijven, aan de voet van de Olijfberg – Vader neem deze beker van Mij, maar niet mijn wil, uw wil… Want Hij gaat voor ons. En Hij baant een weg voor ons, die we uit onszelf nooit kunnen aanleggen.

Vlak daarvoor was er in de kerk een trouwerij. Twee witte tortelduiven moesten van het kerkplein omhoog stijgen. Richting de eigen hokken. Komen uw duiven altijd veilig thuis, vraag ik de man met het kistje. Ja, zegt hij, maar op de Veluwe heb je soms roofvogels die zo’n wit hapje wel lekker vinden. Maar dat gebeurt niet zo vaak.

Toen dacht ik aan die kleine vogel uit Psalm 61. Prachtig, dat de schrijver van de psalm, David, ervan uit gaat, dat God geen roofvogel is en dat onder zijn vleugelen louter bescherming te vinden is.

Ds. Scheltens

P.S.: iedere zaterdag hoop ik voor onze website een column te schrijven.