Kort lontje tegenover dankbaarheid

De ME deed ook nog even mee op de OLD. Stapvoets rijden door de menigte op de Dorpsstraat, dat kon nog net op die zaterdagavond, weet ik uit ervaring. Maar als je er vlug door heen wilde, lukte dat niet: een auto werd overgoten met bier, ingesmeerd met mayonaise en ketchup. Dat hoorde ik. Het liep uit de hand, en de ME moest er bij komen.

We leven trouwens in een tijd met een kort lontje. Mensen worden in elkaar geslagen na al of niet gevolgd te zijn, alsof het niets is.
En we hebben meer last van elkaar en van onszelf, dan dat we dankbaar zijn met elkaar en onszelf. Tevredenheid is niet een royaal voorkomend verschijnsel. Er wordt heel wat gezeurd en geklaagd en geminacht.

Ik vind dankbaarheid belangrijk. Maar je moet er wel wat voor doen. Soms vind ik het werk als predikant ook wel eens ondankbaar werk. Je doet wat je kunt, maar je schiet toch vaak tekort. Ook stemt het niet altijd dankbaar om te functioneren in een kerk, die zich landelijk zo druk maakt met zichzelf, dat plaatselijke en persoonlijke signalen niet worden opgevangen. En dan betrap je jezelf erop, dat je lontje ook wat aan de korte kant is… En een kort lontje kon nog wel eens het tegenovergestelde zijn van dankbaarheid.

Dankbaarheid is niet een stemming die je hebt of niet hebt. Volgens mij moet je er jezelf toe aansporen om te zien dat we niets hebben wat we niet gekregen hebben. Zo zei de aftredende koning David dat bij de troonsopvolging door Salomo. Mooi, als een vader zo zijn zoon aanspreekt in verwondering door dankbaarheid.
Dankbaarheid is een antwoord op de genade van God. Dat je in je houding (in gebod en gebed en gezang) terugkaatst naar God, dat je begrijpt, dat wat je hebt gekregen aan Hem te danken hebt. Je beseft in de kring van de gemeente voor het aangezicht van God, dat je gewoon kunt zeggen: dank U wel, God!

Ds. Scheltens.