Op weg naar Kerst

In onze voorbereiding voor Kerst, de tijd van advent, duiken we diep in de geschiedenis van Israël: Abraham, Jacob, Jozef en Mozes. Daarbij letten we vooral op hun verwachting. We lezen in de brief aan de Hebreeën. De christelijke kerk wordt in haar verwachting gesterkt door de herinnering aan het hopen, geloven en liefhebben van de aartsvaders, van onderkoning Jozef en van de profeet Mozes.

In onze tijd mogen we best een beetje aangemoedigd worden. Er is min of meer een mat gevoel merkbaar in kerk en samenleving. De kerk is geroepen tot spreken, maar welke spraak gaat er van haar uit? Is er niet vaak een verdeeldheid in de kerk en de samenleving, zodat het spreken altijd weer verstoord wordt door tegenspraak. Dat is de vrucht van ongebreidelde inspraak. Iemand, die met een zeker gezag is gezegend, krijgt meteen van flerken te horen, dat het van geen kant deugt, wat-ie te berde brengt.

Hoe brengt de kerk ter sprake, dat godsdienstige beleving niet boven alle kritiek verheven is en toch ook niet ordinair in de verdachtenbank gezet wordt met meteen een aantal inspecteurs aan de broek.
In het maatschappelijke gesprek over waarden en normen mag de kerk toch getuigen van de waarde van Gods liefde en de norm van Gods gebod. Maar het krachtigst zal de kerk in haar getuigenis zijn, als de waarde van Gods ontfermende en genadevolle liefde zwaarder gaat wegen dan de norm die wij elkaar aanmatigend kunnen willen opleggen. Zo mag de kerk spreken in het bevrijdend licht van Gods openbaring.

Advent laat ons warm lopen voor de wonderlijke nadering van de Naam, waarmee God zich laat kennen: Jezus, Immanuël, God met ons, God niet zonder ons, en wij niet zonder Hem. Hoe kan de kerk spreken over Hem die achteloos terzijde wordt geschoven? Davids Zoon, lang verwacht, maar ook lang veracht, te lang veracht. De kerk zingt: “Verwacht de komst des Heren, o mens, bereid u voor!”.

Ds. Scheltens