Jakob worstelend met de engel

Column 20150314

De tentoonstelling in het Rijksmuseum van Amsterdam, ‘De late Rembrandt’ heeft veel  te bieden. Rembrandt (1606 – 1669) schildert in 1659/60 het werk ‘Jakob worstelend met de engel’. Het schilderij hangt normaal in de Gemäldegalerie der Staatlichen Museen, Berlijn. Maar tot 17 mei is het te bewonderen in Amsterdam.

Op zijn terugreis naar Kanaän ziet Jakob op tegen de ontmoeting met zijn broer Esau, aan de overkant van de Jabbok. Hij laat zijn gezin oversteken maar blijft zelf achter. ‘s Nachts raakt hij in gevecht met een engel. Het lukt de engel niet om Jakob te verslaan. Ze worstelen de hele nacht, maar tegen de ochtend geeft de engel op. Hij zegent Jakob en geeft hem de erenaam Israël: “strijder met God”. Jakob raakt wel gewond aan zijn heup (Genesis 32).

Weer valt op, hoe Rembrandt de tederheid tekent in het gezicht van de engel. Dat boeit de schilder blijkbaar: de toegenegenheid van Godwege jegens Jakob, de deugniet, maar ondertussen toch een ‘oogappel’ van God. De gelaatsuitdrukking van Jakob vertoont spanning, krachtsinspanning. Hij laat zich niet onbetuigd en zet al zijn krachten in. Jakob is strijdbaar. Dat wordt onderkend en bijna beloond met die naam Israël, strijder met God. De omgang met God hoeft strijd, spanning en inspanning en overtuigingskracht van onze kant niet uit te sluiten. Zo zien we ook in dit schilderij de tegenstelling tussen de gelaatsuitdrukking van beide figuren: de één vol liefde, de ander gespannen. Dat is misschjien wel tekenen voor de relatie tussen God en mens. Wij kunnen ons afvragen: waar om dit en waarom dat? God blijft ons in liefde aanzien en vanuit die liefde ziet Hij naar ons om!

Een klein detail: de vingers en de nagels van de engel zijn vies. Dat wijst op de worsteling, waarbij beurteling de een en de ander de grond hebben geraakt.

Juist in die details schuilt de echtheid en de levenskracht, die Rembrandt tot uitdrukking wil brengen.

En zo zit de echtheid van onszelf ook vaak in de details: van hoe we ons voelen en wat we tussen de bedrijven doen of nalaten. Niet altijd in de grootse daden en woorden, maar juist in de kleine gebaren schuilt het echte. Het lijkt soms onbetekend, maar het is veelzeggend.

Hoe zingen Saskia en Serge dat ook weer: ’t Zijn de kleine dingen die het doen…

Zo zijn we op weg naar Pasen, waarbij ons oog mag vallen op die toegewijde vrouwen, die aan de viet van het kruis van Golgotha staan en op de derde dag daarna met specerijen gaan naar het graf van Arimatea, want Jezus is gelegd in het graf van een ander: plaatsvervangend. Ook weer zo’n klein detail, maar ondertussen: veelzeggend…

Ds. Scheltens