Mattheus 2 : 1 – 8

Toen nu Jezus geboren was in Bethlehem, in Judea. Mattheüs begint zijn verslag met de plaatsbepaling waar het wonder van Gods komst in de wereld is begonnen. Bethlehem, lopend een halve dagreis (10 tot 15 km) verwijderd van Jeruzalem, het centrum van de macht, in de dagen van koning Herodes. De wijzen zagen een ster en met hun kennis van de sterren wisten ze dat deze ster duidde op de geboorte van een koningskind. Ze wisten in welk land ze moesten zijn, maar waar? Logischerwijs gaan ze naar de plek waar de koning woont. Herodes raakt in verwarring en heel Jeruzalem met hem, schrijft Mattheüs. De overpriesters en schriftgeleerden citeren de profeet Micha en zo komen de wijzen te weten in welke plaats ze moeten zijn. De wijzen nemen afscheid van Herodes en pas dan zien zij tot hun vreugde de ster weer. 

Het zette mij aan het nadenken. Ze hebben de reis vanuit het oosten gemaakt zonder de ster te zien. Hun komst zorgt voor grote verwarring. De wijzen vertrekken naar Bethlehem en niemand uit Jeruzalem gaat met hen mee. Was dat wel zo geweest, dan had Mattheüs dat ongetwijfeld meegedeeld. 

Hoe zou het mij zijn vergaan als ik toen in Jeruzalem was geweest. Zou die lange en niet ongevaarlijke reis van de wijzen voor mij aanleiding zijn geweest om mee te gaan naar Bethlehem om het Koningskind te aanbidden?

We zijn 2000 jaar verder, maar de uitnodiging is onveranderd: Komt u in beweging om het Koningskind te aanbidden of blijft u zitten waar u zit? 

Sipke de Boer