Na de zomervakantie

Te midden van mooi weer, vermaak en plezier in de vakantie zijn er ook verschrikkelijke dingen gebeurd. Enkele gezinnen zijn uit elkaar gerukt door de dood, ongelukken  op de weg, in de bergen en op het water. Zo kan achter het mooie opeens het verschrikkelijke opduiken als een dief in de nacht.

Wij zaten de afgelopen week twee dagen in Rotterdam. En niet gering ook: in het Hotel New York. Daar is ons een mooie kamer ten deel gevallen als geschenk van vriendelijke mensen, die ons dit hebben geschonken uit dank voor bewezen diensten.

Dat hotel staat op de Kop van Zuid en is het vroegere kantoorgebouw van de Holland-Amerika Lijn. De landverhuizers vetrokken daar vanaf de Wilhelminakade naar de overkant van de Atlantische Oceaan.

Ria merkte op: wat zullen hier een tranen gevloeid hebben bij het afscheid, want sommigen zagen elkaar nooit meer terug. Tussen 1883 en 1925 zijn vooral Oost-Europese Joden via Rotterdam naar Amerika getrokken.

In het boekje met de geschiedenis van dit alles voor de gasten van het hotel staat ook het verhaal van de Poolse Joodse Abraham Icek Tuschinski. Hij wil in 1914 als 18-jarige vanaf de Wilhelminakade naar Amerika. Maar hij gaat niet, want hij blijft als kleermaker in Rotterdam. Maar daar opent hij ook een bioscoop en nog één en dan ook het prestigieuze Tuschinki Theater in  Amsterdam. 

In 1942 is hij gearresteerd op zijn onderduikadres aan de Rochussenstraat. In Auschwitz is hij gestorven – niet ver van zijn geboortegrond.

Tuschinski Zaal 1 in Hotel New York

Tuschinski is iemand die in 1914 niet vertrok van de Wilhelminakade. Zijn naam blijft in het hotel in ere gehouden: er zijn twee zalen naar hem genoemd.

Zo zie je, hoe het mooie toch de keerzijde kent van het akelige.

Het lijkt wel of je in het leven daar steeds mee te maken krijgt.

Hoe ga je daarmee om?

Waar ik het niet zozeer over wil hebben, is de manier waarop de Telegraaf deze week omgaat met de burgemeester van Amsterdam en haar zoon. De jongen is 15 jaar en heeft kattenkwaad uitgehaald. Als ik eerlijk ben, was ik er vroeger bij met kattenkwaad en verkeerde dingen. Een nepwapen had ik niet, dat is waar. Volgens mij geen verdienste, want die was er toen nog niet. Zo’n portie puberale kattenkwaad op een verlaten woonboot hoort niet publiekelijk op het bordje van pa en moe te komen, ook niet als ze BN-er zijn.

Verlaten woonboot, waarvan de deur openstaat.

Ik denk ook nog wat anders. De Telegraaf kent vast niet dat mooie regeltje uit Psalm 25: 3 (berijmd): “Denk toch aan de zonde niet van mijn onbedachte jaren. Heer, die al mijn ontrouw ziet, wil mij in uw goedheid sparen.” 

En opdat u dit wel beseft, noem ik deze regel met overtuiging.

De akelige keerzijde van het mooie mag geen vrij spel krijgen.

Maar er is nog iets dat in de afgelopen weken mijn aandacht heeft getrokken.

In Trouw van 3 augustus 2019 staat een vraaggesprek op verzoek van mijn oud klasgenoot uit Haarlem, prof. Peter Barthel, sterrenkundige in Bedum. Dat is een gesprek tussen hem en mgr. De Korte uit Den Bosch en de scriba van de synode, René de Reuver.

Barthel vindt dat we maar eerlijk moeten bekennen, dat God niets doet en dat je dus van Hem ook niets te verwachten hebt, want alles moet komen van onze keuzes en inzet. Is kerk dan overbodig? Nee, maar ook niet noodzakelijk, want het gaat om bezieling tot hulpvaardigheid en daar zijn ook andere bronnen voor.

De professor is bezorgd over Europa en de vluchtelingen die naamloos verdrinken in de Middellandse Zee. Bisschop De Korte reageert meteen: “Ook diegenen die sterven in de Middellandse Zee zijn bekend bij God. Hij vangt ze op. Dat is de vaste christelijke overtuiging, en dat is ook mijn overtuiging. Ik hoop dat het zo is. Alleen al vanwege het onrecht op deze aarde hoop ik dat ze bij God hun recht zullen krijgen.”

Doet Gods niets? Is God een denkproduct van de mens om iets ethisch hoogstaands aan te geven? Heeft bidden dan geen enkele zin?

In alle eenvoud denk ik aan de psalmen. In die psalmen worden soms harde noten gekraakt: waarom zwijgt Gij en waarom verlaat U mij?

Maar dan zie je dat in die psalmen toch ook het geloof doorbreekt: ach ja, dat is ook waar, dat God de schepper is van ons en van de wereld en van de luchten, wolken en winden. En dan zie je Job, die zijn hand voor mond houdt, want hoe kan hij op tegen de God die regen en sneeuw maakt en de wereld zijn loop geeft?

De psalmen juichen vaak niet over de mens en zijn of haar inzet. 

De psalmen jubelen over de werken van God, de daden van God: heel concreet bevrijding uit het diensthuis Egypte en uit de ballingschap in Babel. 

“Loof Hem om zijn goedertierenheid, om zijn liefde en trouw.”

Psalm 121 zingt die verbluffend mooie woorden: “Hij maakt het kwade goed, Hij is het die u hoedt”. Die daden van God spreken mij meer aan dan de gedachte dat God niets doet. 

Ik kom als dominee in aanraking met de akelige kant achter het mooie van het leven.

Ziektes van enkele mensen, waar geen dokter kaas van heeft gegeten. Met grote effecten van narigheid en akeligheid in het leven. Zouden we dan niet meer kunnen bidden om een zegen over de vindingrijkheid van mensen ten aanzien van een therapie of medicijnen? Doet God niets? Is het wonder van de komst van Jezus ook niet een heilsfeit dat op naam staan van God? Dat geheimenissen als vergeving, opstanding, verzoening, vernieuwing en verlossing zaken zijn die God nog eens krachtig inbrengt, als Christus ter wereld komt? 

Ik denk: op vakantie doe ik niks (op enkele preekbeurten na), maar God heeft nooit vakantie. En wij kunnen dan de mensen niet kennen die naamloos verdrinken, verminkt worden of omkomen, maar daarom kent God ze nog wel.

Denk maar eens aan de handpalmen van God, daar staan namen in.

Dat klinkt menselijk, maar het is goddelijk. 

Ds. Wim Scheltens