Onbegrip over geloof

In het Nederlands Dagblad van afgelopen week is een discussie gaande over de huiver voor alles wat met godsdienst te maken heeft.

Arjan Vliegenthart is de gangmaker.

Hij is wethouder voor de Socialistische Partij in Amsterdam.

Hij schrijft: “Onbekend maakt hier onbemind. Wie nooit een kerk, sjoel of moskee van binnen ziet, krijgt misschien een wat vertekend beeld van wat daar gebeurt. Een Amsterdams raadslid sprak afgelopen week tijdens de algemene beschouwingen over ‘de jurkendragers van het Vaticaan’. Allemaal tot je dienst, maar de wil om je te verdiepen in wat geloof en godsdienst kan betekenen naast het dragen van een lang gewaad blijkt er niet uit. De discussie in de gemeenteraad lijkt zo iets wezenlijks bloot te leggen: het onbegrip, en misschien ook wel het ongemak, van ongelovige raadsleden voor het geloof van hun gelovige medestadsbewoners. En in onze politiek zijn de ongelovige Amsterdammers in de gemeenteraad een overgrote meerderheid, terwijl dat in de Amsterdamse samenleving niet geldt.”

Wat is de aanleiding?

Geen geld voor godsdienstlessen buiten school!

In Amsterdam heeft de gemeenteraad geld vrijgemaakt om mensen met een laag inkomen te ondersteunen. Ouders met schoolgaande kinderen hebben bijvoorbeeld recht op de scholierenvergoeding. Geld dat ouders naar eigen inzicht mogen besteden aan zaken die te maken hebben met school, cultuur of sport.

Maar de gemeenteraad heeft besloten dat ouders dat geld niet mogen besteden aan godsdienstlessen. Waarom niet? Als argumenten zijn genoemd: ”godsdienstlessen belemmeren het meedoen, godsdienst helpt mensen niet uit de armoede”.

Vliegenhart zegt tenslotte: “In de gemeenteraad leeft breed het gevoel dat godsdienstles wél iets heel anders is dan ballet of voetbal. Dat klopt. Godsdienst is voor veel mensen iets heel wezenlijks, op een manier die misschien niet vergelijkbaar is met balletles. Voor veel Amsterdammers heeft hun geloof een belangrijke plek in hun leven. Hun geloof verbindt hen met de gemeenschap. Ze vinden er troost en zingeving.”.

Het gaat om godsdienstlessen buiten school en buiten de kerk. Dus vooral om islamitisch godsdienstonderwijs dat betaald moet worden uit geld voor buitenschoolse activiteiten, zoals sport en muziek en ballet.

Scheiding tussen kerk en staat wordt soms wel erg ver doorgetrokken.

Terwijl geloof een diep besef van houvast en eigenwaarde kan betekenen.

Waar de gemeenteraad in Amsterdam afkeer van heeft is het voeden van radicaliserende gevoelens met gewelddadige uitlopers. Maar benoem dat dan en ga daar dan het gesprek over aan met moskeebesturen. Dan zou ik nog verder gaan: niet alleen geen geld voor die lessen, maar een verbod op radicaliserende lessen, ook in de moskee.

Kerk en staat scheiden kan een leuke hobby zijn van seculariserende figuren. De bevolking is divers. En er groeien volksstammen op, die geen sjoege hebben van godsdienst en godsdienstige eigenheden. Alsof alle godsdienst één pot nat is.

Overigens gaat een rechtstaat beschermen door alle geledingen en ‘haarvaten’ van de samenleving heen. In Nederland hebben gelovige mensen en kerken meegeholpen aan de opbouw van een samenleving met respect voor levensbeschouwelijke verscheidenheid. Zo zijn er scholen en ziekenhuizen en bejaardenoorden ontstaan met een gelovige achtergrond. Daar is niets mis mee. Omdat de wet gerespecteerd wordt en zo goed mogelijk wordt nageleefd.

Want wetten zijn in Nederland geldig ook voor geloofsgemeenschappen.

En geloofsgemeenschappen die met de wet niets kunnen, passen niet in ons land. Zo eenvoudig kan het zijn.

Ds. Wim Scheltens