Surinaamse

Als jongen heb ik een paar dagen in het ziekenhuis gelegen. 

Ik was een jaar of tien. ‘k Had een plekje bij de kruin op mijn hoofd. Daarvan zei de huisarts: dat halen we weg, het kan kanker worden. 

Dat woord je ‘we’ begreep ik niet goed. Wie zijn die ‘we’? Doet hij dat dan met iemand anders misschien? Nee, het bleek een dokter in het ziekenhuis te zijn, naar wie de huisarts had verwezen. Die opereerde alleen. Daar was de huisarts helemaal niet bij. Ik begreep voor het eerst, wat samenwerken was en doorverwijzen. 

Ik heb het helemaal niet leuk gehad in het Diaconessenhuis in Haarlem. Ik vond het een straf. De verpleegsters waren niet aardig. Nog voel ik die koude ondersteek onder mijn achterwerk. Toen ik daar iets van zei, kreeg ik te horen: niet zeuren. En op die zaal leek het wel gooi- en smijtwerk, hoe ze bezig waren met al die ondersteken. Wat een lawaai. Ik vond het vreselijk. 

Ik denk nu: die behandeling vond ik zo erg – zo onwaardig, weinig vriendelijk, niet invoelend. Dat zeg ik nu. Dat kon ik toen allemaal niet bij elkaar bedenken.

Er was één uitzondering.

Als de Surinaamse verpleegster kwam, werd ik helemaal blij. Wat een lief mens, hoe zorgzaam, vriendelijk. Ze vroeg heel gewoon, hoe het me ging. Ik vond dat zo lief.

Dat viel me op. Dat was toen – in mijn beleving – een uitzondering. Ik heb het over begin zestiger jaren.

Op 3 februari 2020 is op Paleis Huis Ten Bosch het ‘Erekruis van de Huisorde van Oranje’ uitgereikt aan mw. Lygia Lieveld, Surinaamse afgestudeerde verpleegkundige. Ruim 20 jaar heeft ze aan het Koninklijk Huis haar zorg geboden. De koning noemde haar empatisch vermogen, beroepsgeheim en andere ethische kanten van het verpleegkundig beroep. De koning zei: “Uit eigen observatie weet ik en heb ik kunnen ervaren dat Surinaamse verpleegkundigen het wereldwijd goed doen en zeer gewild zijn.”

Volgens mij is deze jeugdervaring tekenend voor mijn gevoel over racisme.

Ik heb racisme altijd raar en dom gevonden. Het gaat niet om de kleur van je huid, maar om de kleur van je hart, leerde ik later van Martin Luther King.

In Amsterdam zijn de Surinaamse mensen in de kerk en in de winkels vaak zo ongedwongen, zo puur, zo spontaan.

Daar geniet ik van.

Dat er veel misgegaan is op plantages met slavernij, dat is duidelijk. Eduard Douwes Dekker, Multatuli, heb ik als jongen ook gelezen.

Slavenmonument in het Oosterpark in Amsterdam

Prof. Harinck herinnert in het Nederlands Dagblad (4 juli 2020) aan zijn vader, die bromde over voetballers die verkocht werden van de ene club naar de andere als moderne slavernij.

Dat afkeurend gebrom ken ik ook van huis uit.

En verder?
Als je de Bijbel openslaat, dat valt het op, hoe de Here God de mens graag een verantwoordelijkheid gunt. En als het zo te pas komt, roept God die mens ook wel ter verantwoording: Adam, waar ben je; man, waar ben je mee bezig, wat doe je nou toch?

En wat is bedoeling? Om je de grond in te trappen?
Nee, om je uit de sores te halen en je te verlossen van dwangmatigheid en emotionele pijn.

Hoe kan het toch, dat mensen soms de Bijbel heel anders lezen?
Alleen maar over een boze God, die toornt en toornt en toornt en je opzadelt met onmogelijke eisen, zodat je wel moet tekortschieten en dan natuurlijk weer de mantel uitgeveegd krijgen. Zodat het woord ‘God’ je de stuipen op het lijf jaagt.

Hoe kan het, dat iemand zo met de Bijbel kan omgaan?

Is het misschien, omdat je vooringenomen bent en niet meer open kan staan voor wat er werkelijk gebeurt in de Bijbel?

Ik weet het niet – ik ben geen psycholoog.

Ik weet wel, dat de Bijbel het boek is van Gods liefde en trouw en dat onze trouw soms verbleekt en schril afsteekt tegen de overmatige trouw van God.

Ontrouw worden kan Hij niet, jubelt de apostel Paulus in 2 Timoteüs 2:13.

Wij kunnen wel ontrouw worden – tot ons schade en schande. Dat wel.

Ik denk nog even aan die Surinaamse zuster in het Diaconessenhuis aan de Hazepaterslaan in Haarlem. En dat prins Claus jaren later nu toch ook zo’n veiligheid heeft ondervonden bij een Surinaamse verpleegster. Dat zegt toch wel wat. En hoe vaak heeft Dieny Brands niet verteld van de liefde die ze hebben ervaren van de zusters, toen Andree in het ziekenhuis in Paramaribo heel erg ziek was? Als witneus kun je dan toch het schaamrood op de kaken krijgen, als je jezelf verheft boven een ander?

Zou de Here God ons niet meer willen, als we zo dom doen?

Ach, gelukkig kan God ons niet ontslaan, want wij zijn geen personeel van Hem – wij zijn z’n kinderen. Hoe ik dat zo weet? Uit de Bijbel natuurlijk, want daar geeft God kennis van zaken. En die is niet mis: “Uw Woord is een licht op mijn pad.”

Ds. Wim Scheltens

N.B. tot en met 8 augustus 2020 onderbreek ik de reeks wekelijkse columns in verband met de zomervakantie: de eerste column wil ik weer op 15 augustus uitbrengen