Vergeven is soms een zwaar karwei

In het dagblad Trouw heeft dinsdag 14 november 2017 een indringend interview gestaan met Svenja Flasspöhler. Zij werd op jonge leeftijd in de steek gelaten door haar moeder. Dat is de basis voor haar boek Vergeven – omgaan met onrecht.

Hoe kun je omgaan met een schuldvraag.

 

Wat mij in dit vraagsgesprek opvalt, dat is de volgorde tussen berouw, schuldbelijdenis en vergeving. Vanuit de Bijbel moet eerst schuld beleden worden, eer je vergeving kunt krijgen. Dat komt ook terug in de liturgie op de zondagmorgen: eerst een gebed van inkeer en dan een woord van vergeving. Het lijkt ook een logische volgorde: de dader toont wroeging, waarna het slachtoffer vergeeft.

Maar de filosoof Ricoeur schrijft dat het meestal andersom is: eerst komt de vergeving, dan het berouw. Omdat vergeving een basis schept, een zachtheid in de verhouding. Vreemd lijkt het, maar is het niet: omdat je geen berouw meer verwacht, stel je de ander in staat vergeving te geven. Dan zijn de klem en de noodzaak weggenomen. Dan kan vergeven in vrijheid gebeuren en niet onder dwang, die echte vergeving ook moeilijk te proeven maakt. Daarom denk ik, dat het met elkaar in verband moet staan, en dat de volgorde niet het belangrijkste is, als er maar samenhang is en merkbaar wordt.

In het vraaggesprek is een klemmende vraag: toont uw moeder nu berouw? En dan antwoordt de schrijfster: “Niet met woorden, ze laat het zien in hoe we met elkaar omgaan. Ik merk ook: ik heb geen schuldbekentenis meer nodig. Ik hoef niet van haar te horen: ‘Het spijt me’. Ook omgekeerd werkt het zo, vergeven toont zich in het doen. Iets wat zich elke dag opnieuw moet bewijzen.”

Dat lijkt me ook een belangrijk punt: dat er na een conflict of een stevig meningsverschil weer een weg van samen optrekken kan gevonden worden.

Zondag vieren wij het Heilig Avondmaal. Daarin gaat het ook over vergeving.

Daarom vond ik dit artikel in Trouw zo opmerkelijk: juist in de week van voorbereiding voor het avondmaal. In de naam van Christus wordt ons volkomen vergeving van al onze zonden toegezegd. Daarvoor moet wel berouw zijn, zo zijn we gewend en dat is ook wel goed om tegen goedkope genade tegen te gaan.

Maar je kunt net zo goed zeggen: door het wonderlijke aanbod van de volkomen  vergeving van de zonden leer je ontdekken wat daar allemaal voor nodig is geweest. De komst van Christus en zijn lijden is daarvoor nodig geweest.

Om iets van die ernst in je eigen leven door te laten werken is een zwaar karwei.

De schrijfster Svenja Flasspöhler heeft door het schrijven van haar boek iets beter begrepen wat vergeving zoal kan zijn, maar het blijft voor haar raadselachtig.

Ze voelt zich thuis bij de filosoof Jacques Derrida, die zegt: ‘Alleen het onvergeeflijke roept om vergeving’. Deze zin staat centraal in dit boek, omdat zo het paradoxale, ongrijpbare karakter van vergeven aangewezen wordt.

In het vraaggesprek maakt ze nog een belangrijke opmerking die te denken geeft: “De vraag naar vergeving wordt precies daar opgeroepen waar die onmogelijk lijkt, waar echt iets verschrikkelijks is gebeurd. Het is misschien geen toeval dat de grootste schrijvers over vergeving van joodse komaf zijn. Over de Shoah zeggen sommigen: het boze dat zich daar openbaarde is onvergeeflijk. Daar zet Derrida deze zin tegenover. Waarmee hij niet zegt: we moeten het vergeven, maar: wat hier gebeurd is, roept de problematiek juist pas op.”Derrida heeft het ook gehad over de ‘obsceniteit van het vergeven’. Het gevaar dat vergeven ontaardt in een raar soort machtsverhouding: de vergevende partij plaatst zich op een of andere manier boven degene die vergeven wordt. Volgens Derrida moet vergeven op ooghoogte gebeuren.

 

En ik ben maar een dominee, maar ik vind, dat vergeven kan gebeuren door elkaar stilzwijgend in de ogen te kijken en ondertussen elkaar een ferme hand te drukken.

Ds. Wim Scheltens