Votum en groet (weet wat je doet!)

“Kerkdiensten binnen de gereformeerde traditie beginnen steevast met ‘votum en groet’.” Zo begint Ad de Bruijne, hoogleraar Ethiek en Spiritualiteit aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in Kampen, een artikel in het Nederlands Dagblad van vrijdag 12 februari 2016.

Hij voegt daar een verzuchting aan toe: Voorgangers (in zijn kerk) putten zich uit om alle onderdelen van de liturgie omstandig met eigen woorden toe te lichten, bij voorkeur in jip-en-janneke-taal. Dat het votum en de groet is, dat God je groet!

Hij zegt het zelf ook gedaan te hebben, maar inmiddels vindt hij, dat je daarmee een uitleggerige en verstandelijke sfeer schept die de beweging van de liturgie en de gevoelsmatige beleving daarvan in de weg zit. Bovendien slaat zulke zelfbedachte creativiteit zomaar de plank mis. Volgens hem kan dat gebeuren bij votum en groet.

Wat is zijn punt? Hij vertelt, ‘dat God ons groet’ is eigenlijk een opmerking, die niet ter zake doet. Want volgens de professor groet God niet. God spreekt.

Het is goed om je eigen ontvankelijkheid voor dat speken van God in een nederig gebed aan God mogelijk te maken.

Dat brengt me tot deze column: wat gebeurt er bij votum en groet?

Vanouds is de opening in de kerkdiensten geweest: De Heer zij met u!
En dan kwam als antwoord ‘en met uw geest’.

Het gaat me om dat begin: het is de vorm van een wensspreuk.

Want wij beschikken niet over Gods aanwezigheid.

Als de voorganger zegt: de Heer zij met u, zegt de voorganger dat tegen de gemeente – in de hoop en verwachting, dat God Zelf kracht geeft aan die woorden, die woorden Zelf als het ware invult!

Het ‘genade zij u en vrede’- de groet – komt uit de beginwoorden van de apostolische brieven in het Nieuwe Testament. Paulus begint zijn Tweede brief aan de Korintiërs met de woorden: “Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus”. Zo groet Paulus de gemeente. Het is intermenselijk verkeer op hoog niveau. Maar sprekend God invoeren gaat ons niveau te boven. Ook bij de zegen zien we een verschil tussen de woorden van de zegen en dat God zegent: Aäron mag de woorden zeggen zoals God ze heeft gegeven en als dat gebeurt, dàn zal God zegenen. (Numeri 6:27).

Column 20160213.1

 

Daarom ben ik wel gelukkig met de woorden: ‘Onze hulp is in de naam van de HEER

die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Psalm 124: 8).

Daaraan mogen we toevoegen de gedachte uit psalm 138:8  ‘Laat niet varen de werken uwer handen’. Dat mag zelf in stellende zin en niet alleen in vragende zin.

Het ‘onze hulp’ is een geloofsbelijdenis.

En de groet laat merken, dat we hopen dat Gods Geest vaardig zal worden in ons zingen, bidden en luisteren naar het Woord.

 “Taakverdeling en – vermenging”

In de kerkdienst is er sprake van een taakverdeling. Een taakverdeling is een soort afwisseling en gesprek. Een taakverdeling tussen God en de gemeente. In de Bijbellezingen spreekt God en in de gebeden en de liederen spreekt de gemeente.

En dan is er de taakvermenging: want we komen samen in de naam van God. Door wat mensen samen doen heen, belooft God zelf aanwezig te zijn en met hen om te gaan. Daarbij kun je nooit helemaal onderscheid maken tussen het menselijk en wat van God komt – in een lied, in de Bijbellezing, in een preek en in een gebed. Dat heeft te maken met het werk van de Geest, waarvan Paulus zegt: De Geest getuigt met onze geest dat we kinderen Gods zijn (Romeinen 8: 13).

Bij Votum en groet is het goed, dat je weet wat je doet.

Je hoort een geloofsuitgangspunt: ‘onze hulp’ en kan daarover verwonderd raken.

En het ‘genade zij u en vrede van God onze Vader’, laat merken, dat we elkaar toewensen, dat God aanwezig wil zijn in ons leven. En dat we Hem eerbiedig vragen, of Hij aanwezig wil zijn. Dat is ook speciaal de betekenis van het gebed om de Heilige Geest bij de opening van Gods Woord.

Dat Hij ons Zelf gidst door zijn Koninkrijk.

En we hebben zijn aanwezigheid niet ‘zomaar’ tot onze beschikking. Maar als we Hem vragen, wil Hij er zijn als onze hemelse Vader, die ons niet knollen voor citroenen verkoopt – zoals een vader geen schorpioen geeft als zijn kind vraagt om een appel of een ei (Lucas 11:12).

Column 20160213.2

Ds. Wim Scheltens