Vrolijke ruil

Vrolijke ruil

Als je aan Luther denkt, komt zijn gedachtegoed ter sprake.

Bij Luther komt het nooit ‘zomaar’ goed. De mens moet bij Luther weten dat vergeving anders werkt dan een eenvoudige druk op de knop van een volautomatische wasmachine. De mens moet vanuit de diepte en aangevochten wachten tot in jou het besef doorbreekt, dat het verlossend werk van God in Christus ook voor jou bedoeld is. Niet jouw geloof bewerkt dat. Maar Christus bewerkt dat via en door jouw geloof.

Gods Woord is Luthers leer, daarom vergaat die nimmermeer.

Gevelsteen op het huis in Eisleben, 

waarin Luther op 10 november 1483 is geboren

Als we ons opmaken voor de viering van 500 jaar reformatie mogen we proberen recht te doen aan de diepte van Luther, die het wonder van de genade zo hoog schat, dat hij daarvoor eerst diep door het stof moet om zich dat gaandeweg toe te kunnen eigenen.

Rijkdom en armoe

Luther kan ook een sprankelende toon aanslaan. Zoals wanneer hij spreekt over ‘een vrolijke ruil’: Christus is rijk en wordt arm voor ons en deelt ons zo in zijn rijkdom – Christus neemt onze armoe en geeft ons zijn rijkom. Dat heeft Luther van Paulus, die zegt: “Gij kent immers de genade van onze Here Jezus [Christus], dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden.” (1 Korintiërs 8:9).

Dat is doorleefd geloof vanuit een diepe beleving. Die vrolijke ruil komt prachtig ter sprake in het boekje ‘De vrijheid van een Christen’ (1520) schrijft Luther over de ‘vrolijke ruil’. Christus wil met ons ruilen: zijn goedheid tegenover ons onvermogen. Luther herontdekte de zonde. Dat klinkt nu zwaar en onhanteerbaar. Maar Luther herontdekte met de zonde ook meteen de bevrijding. In dit leven krijgen we onherroepelijk te maken met het menselijk tekort. We willen wel het goede maar we doen het verkeerde, zegt Paulus al (Romeinen 7:19). Luther leerde dat het zondebesef niet neerdrukkend is, maar de veerkracht biedt om kracht in Christus te vinden. Zoals een man en vrouw in gemeenschap van goederen trouwen – zo schrijft Luther – , zo wil Christus zich met ons verbinden. In een “vrolijke ruil” neemt Christus van ons wat niet deugt en krijgen wij van hem de kracht het goede te doen.

Vrijheid als geschenk

In onze tijd is ‘autonomie’ belangrijk. Dat zal wel. Maar autonomie is wat anders dan vrijheid. Want vrijheid is een geschenk. En de schenker van dat geschenk heeft daar bedoelingen mee en kan ons rekenschap vragen, hoe wij met die vrijheid omgaan.

Christus Zelf kon alles en zou zich als koning hebben kunnen gedragen. Toch werd Hij  de minste van alle mensen ter wille van het heil voor de mensen. Die vrijheid mag ons te denken geven!

Eisleben – Marktplein met een standbeeld van Luther 

voor het Raadhuis 

en op zij de toren van de Andreaskerk

Bij Luther is het geloof gericht op aanvaarding  van de belofte van het evangelie:  Christus. In Hem worden alle dingen, gerechtigheid en vrijheid, ons toegezegd. Geloven we deze beloften, dan hebben we alles. Want God heeft van het geloof in zijn beloften alles afhankelijk gesteld.

Zo geven de beloften van God dan ook wat de geboden eisen. Dat betekent dat we door het geloof alleen gerechtvaardigd worden en met alle goed vervuld worden. Alleen het geloof in Christus maakt ons tot een christen, en geen enkel ander werk. Niemand heeft de wet of werken nodig voor zijn gerechtigheid en behoud. Slechts het geloof in Jezus Christus maakt vrij. Dat geloof verbindt onze ziel met Christus, als een bruid met een bruidegom. Luther schrijft dan prachtig over de vrolijke ruil.

Het is trouwens jammer en voor mij niet goed te volgen, waarom in de nieuwe prachtige tweeledige uitgave ‘Luther verzameld’ het woord ‘ruil’ door Christa Boerke weg vertaald is door met het woord ‘schouwspel’ te komen. Terwijl in het Duits van Luther gewoon ‘Wechsel’ staat, wat ruil betekent. Juist die gedachte aan een vrolijke ruil, is zo sprekend over voor nu!

“Christus, onze Bruidegom, maakt door de trouwring van het geloof al onze zonden, de dood en de hel tot zijn eigen zaken.”, zegt Luther. En als bruid ontvangen wij zijn gerechtigheid, waardoor we echt vrij zijn voor God. We zien bij Luther naar voren komen wat de Schrift zegt in Galaten over de vrijheid van de christen: ‘Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt’, Galaten 5:1. Onze vrijheid kunnen we dan ook nooit los zien van Christus! Christus, de bruidegom neemt onze zonden; wij ontvangen zijn gerechtigheid. Luther: “Waar Christus, deze rijke en godvrezende bruid, dit arme, goddeloze hoertje tot vrouw neemt, haar vrijkoopt van al haar kwaad en haar siert met al zijn zegeningen. Want nu is het onmogelijke dat haar zonden haar te gronde richten, omdat zij op Christus gelegd zijn en in Hem verzwolgen. En zij heeft in Christus, haar bruidegom, haar gerechtigheid, waarin zij mag roemen als was het haar eigen gerechtigheid. Tegen al haar zonden, dood en hel kan zij met vertrouwen in opstand komen en zeggen: ‘Al heb ik gezondigd, mijn Christus, in wie ik geloof, heeft niet gezondigd en al het zijne is van mij en als het mijne is van Hem’, zoals staat in het Hooglied: ‘Mijn geliefde is van mij en ik ben van hem”. Dat is wat Paulus zegt in 1 Korintiërs 15 ‘Gode zij dank, die ons de overwinning gegeven heeft door Jezus Christus onze Here’, de overwinning over zonde en dood zal hij daar aanvoert: de prikkel des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet.’”

Aldus Luther!

Het goddeloze hoertje is een verwijzing naar Hosea 2.

Luther trekt vanuit deze vrolijke ruil als het hart van het evangelie een lijn naar de kerkelijke praktijk. Christus is de Priester-Koning. In Hem, de Eerstgeborene van de Vader en de maagd Maria, komt dat naar de gelovigen toe. Zo zijn de gelovigen een koninklijk priesterschap en een priesterlijk koninkrijk, waarbij Luther verwijst naar 1 Petrus 2:9. Dat is de vrijheid van de kerk: kerkleden vormen samen koningen en priesters in en met Jezus Christus.

In het Liedboek voor kerken is Gezang 147 ‘Lobt Gott, ihr Christen alle gleich’ bekend geworden (nu: Lied 474). Dat komt door de melodie, maar ook door het thema van de vrolijke ruil:

 

1    Looft God, gij christ’nen, maakt Hem groot

in zijn verheven troon,

die nu zijn rijk voor ons ontsloot

en zendt zijn eigen Zoon,

en zendt zijn eigen Zoon.

2    Hij daalt uit ’s Vaders schoot terneer

op aard om kind te zijn,

een kindje arm en naakt en teer

al in een kribje klein,

al in een kribje klein.

3    Verzakende zijn macht en recht,

verkiest Hij zich een stal,

neemt de gedaant’ aan van een knecht,

de Schepper van het Al,

de Schepper van het Al.

4    Hij ruilt met ons op vreemde wijs:

Hij neemt ons vlees en bloed

en geeft ons in zijns Vaders huis

zijn eigen overvloed,

zijn eigen overvloed.

5    Hij wordt een knecht en ik een heer:

wat win ik veel daarbij!

Waar vindt men zoveel gulheid weer

als Jezus heeft voor mij,

als Jezus heeft voor mij.

6    En nu ontsluit Hij weer de poort

van ’t schone paradijs.

De cherub staat er niet meer voor.

God zij lof, eer en prijs!

God zij lof, eer en prijs!

In dit lied is de kracht van de theologie van Luther in een notendop aan te treffen.

Ds. Wim Scheltens