Wat is het…

 

“Blijf hun namen noemen’ – dat is de titel van een bestseller, een boek van Simon Stranger uit Noorwegen. Namen noemen is om de overleden mensen met die namen aan de vergetelheid te ontrekken. Dat is een typisch Joodse manier van het leven eerbiedigen. 

In dat boek lees, je hoe twee Joodse jongens in de nacht op een vrachtwagen vol hooi over de grens van Noorwegen naar Zweden worden gebracht.

Duitse soldaten controleren de inhoud: eerst met hun handen en later met een hooivork. De hooivork drukt strootjes stijf tegen de bovenkant van het been – net boven de knie – van een van die jongens. Die jongen denkt: nu is het voorbij, we worden gesnapt en dood geschoten.

Maar de motor van de vrachtwagen wordt weer gestart en ze rijden, alsof er niets gebeurd is. Die jongen denkt: welke soldaat gelooft nu dat het nodig is om in de nacht alleen maar hooi te brengen van bezet Noorwegen naar vrij Zweden?

Dan  realiseert die jongen zich het volgende: “Wat is het waardoor de vreemde zo’n risico neemt? Wat is het waardoor iedereen, die de vlucht over de grens organiseert, te voet, in auto’s, met boten, zijn eigen leven op het spel zet om vluchtelingen zoals zij te helpen?”.

Ja, wat is het…

Een goede vraag, die meteen aangeeft, waarom het belangrijk is op 4 mei niet stilletjes te laten voorbijgaan.

Mensen zetten zich in voor anderen en hoe komen ze daarbij? Wat is hun drijfveer?

Het is al heel wat, als mensen het kwaad kunnen doorzien. 

Als mensen dan ook nog actie ondernemen om het kwaad te keren, dan is dat nog heel wat.

Dat is natuurlijk geen gemakkelijke keuze geweest. 

Want iedereen wist in die tijd: de Duitse bezetter was wreed. Ongehoorzaamheid aan de regels van de bezetter werd zwaar bestraft. Hulp aan onderduikers kon met de dood worden gestraft. Verzet is geen simpele keuze geweest. 

Wie besloot om met een onderduiker op pad te gaan of een onderduiker in huis te nemen, mee te werken aan een illegale krant of het vervoeren van bonkaarten en valse identiteitspapieren, deed gevaarlijk werk. Het gevaar van verraad was levensgroot. Er waren razzia’s – plotseling werden straten afgezet en huizen uitgekamd. De bezetter deed er alles aan om angst in te boezemen. 

In die wereld komt de oproep: meld je niet aan voor werk in Duitsland! Maar duik onder! Naast Joodse mensen komen er ineens ook jonge mannen bij, die hun Arbeitseinsatz in Duitsland willen ontlopen. (Veel arbeiders in Duitse fabrieken en bedrijven waren soldaat en het werk moest wel verricht worden.)

Er verschijnen steeds weer nieuwe boeken met verhalen over wat het met je doet om onderduiker te zijn in een ander milieu dan je gewend bent. Ik denk aan het boek ‘Twee keer bidden voor het slapen gaan’ van Nadine Wojakovski (Plateau,  Hilversum 2018). Een Joods gezin uit Amsterdam gaat onderduiken; twee kleine kinderen apart van de ouders. Het kleutermeisje bidt op de eerste dag van de gezinshereniging in juli 1945: “Ik ga slapen, ik ben moe, sluit mijn beide oogjes toe, Here, houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht. ‘t Boze dat ik …”. 

De moeder weet niet wat ze hoort. Haar dochter is bij een christelijke familie opgevangen en opgevoed en langzamerhand komen op de Sabbatavond twee kaarsen op tafel. Als het meisje op zondagmorgen kerkklokken hoort luiden, wil ze graag naar de kerk en haar ouders volgen haar in opperste verwarring. Gaandeweg komt naast het christelijke avondgebedje ook het Joodse gebed Shema weer terug: “Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is één!” 

Zo snijdt de oorlog dwars door de meest diepe identiteitsgevoelens.

En daarom laten we 4 mei ook in Lunteren niet stilletjes voorbijgaan.

Want de vraag: ‘wat het is…’ brengt ons bij de drijfveer van ‘helpen wie geen helper heeft’. 

En wie heeft dat met kracht bepleit? Dat is Jezus ten voeten uit, de goede herder, die zichzelf ook heeft ingezet en daarmee ook een voorbeeld heeft gegeven. 

Daarom vertellen we de verhalen, die we steeds vernieuwd herhalen.

Ds. Wim Scheltens