Wijze eigenzinnigheid van Rembrandt

Omdat het op 4 oktober 2019 precies 350 geleden is, dat Rembrandt van Rijn is overleden, beleven we weer een Rembrandtjaar is. Daarom wil ik wat vertellen over de soms eigenzinnig trek van Rembrandt om een Bijbelverhaal te typeren. Daarbij denk ik aan twee schilderijen. 

1. De vrouw van Potifar

Als Jozef verleid wordt door de vrouw van Potifar in Egypte, draait de vrouw de rollen om en zegt dat Jozef haar wilde verkrachten. Ze speelt de vermoorde onschuld. 

Zij zit theatraal en zogenaamd ontspannen met de benen over elkaar en staat met haar rechtervoet op het bewijsstuk: de jas van Jozef. Daarom schildert Rembrandt de rechterhand van de vrouw  in de richting van Jozef met de duim hem minachtend aanwijzend. Het is nog net geen wegwerpgebaar.

         

Jozef wordt beschuldigd door Potifars vrouw (Berlijn),

schilderij (1655), van Rembrandt Harmensz. van Rijn (1606 – 1669), 

in de Gemäldegalerie der Staatlichen Museen te Berlijn.

 

Nu is het aardige juist, dat als de vrouw haar (onjuiste) beklag over Jozef doet bij haar man, dat Jozef er dan helemaal niet bij is volgens het Bijbelverhaal (Genesis 39:13-19). Rembrandt tekent beide mannen in hun eigen rol: Potifar moet zijn vrouw serieus nemen. De houding van Potifar is wel een beetje apart: hij neigt iets naar zijn vrouw, lijkt iets sullig, zijn rechterhand raakt haar net niet en zijn linkerhand is onzichtbaar onder zijn vele kledij waaronder een zwaard verborgen is. En Jozef? Die maakt het gebaar van onschuld. En hij heft zijn hoofd omhoog, alsof hij het van boven verwacht. Wijze eigenzinnigheid van Rembrandt: toch moet het van boven komen…

 

De terugkeer van de verloren zoon (1668) van 

Rembrandt (1606 – 1669), in de Hermitage te St. Petersburg

2. De verloren zoon 

Het tweede schilderij is ook eigenzinnig: het overbekende schilderij over de verloren zoon.  Die verloren zoon is zo welkom bij de vader dat je die gelijkenis ook zou kunnen noemen naar de wachtende vader. Nu is het goed om te beseffen, dat als de jongste zoon ontvangen wordt door de vader, dat dit gebeurt, als de oudste zoon nog op het veld is. Die oudste zoon is er dus niet bij. Maar Rembrandt schildert hem er wel bij. Je kunt je afvragen: waarom doet Rembrandt dit. Wacht even: begint Jezus niet met deze gelijkenis (Lucas 15: 12) door te zeggen: ‘Iemand had twee zonen’? En is het niet handig om te beseffen, dat de oudste zoon en de jongste zoon niet zonder elkaar kunnen? Misschien zijn ze zelfs twee karakteriseringen van wat in één mens kan plaats vinden? Het enerzijds en het anderzijds…
Dat soort gedachten vol wijze eigenzinnigheid moet Rembrandt gehad hebben. 

Hij zet de knielende gestalte van de jongste zoon tegenover de neerkijkende gestalte van de oudste zoon, die er bij staat als een soort lantaarnpaal – onbewogen en ongeïnteresseerd.

Vlakbij

Rembrandt heeft zijn schilderij zo gemaakt, dat wij maar een paar stappen achter de jongste zoon staan. We zien hem op de rug, vlakbij. Ondertussen zien we zo vanuit de beste positie de houding van de vader: de milde handen en de vriendelijke ogen – Psalm 25 zingt erover, dat die bij God van eeuwigheid zijn.

Het is, alsof Rembrandt zijn kijkers uitnodigt om de jongste zoon op de voet te volgen: ‘Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u en ik ben het niet waard uw zoon genoemd te worden. En dat de vader dan ook tegen jou kan zeggen: ‘Laten we feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden; hij was verloren en is teruggevonden.’

Deze zoon van mij, deze dochter van mij –  ‘van mij’ klinkt er in Lucas 15. Dat is veelzeggend. Je bent van Mij en niet van jezelf. En dat komt soms heel mooi uit. Want ja, je kunt je soms behoorlijk verloren voelen, maar je hoeft zelf niet te denken dat je dit bijzondere van kind van God te zijn, verspeelt of zo. Wie graag een kind van God wil zijn, mag zeker weten, dat je een kind van God bent en altijd zal blijven ook. Want daar gaat niemand anders over dan God Zelf. En die wil Vader zijn van alle mensen. Daar zal het niet aan liggen.

Zoiets moet Rembrandt in zijn wijze eigenzinnigheid ook gedacht hebben – zo tegen het eind van zijn leven op aarde, denk ik dan. En dat schept een band…

Ds. Wim Scheltens