Zwijgen en spreken

In de kerkenraad ging het afgelopen maandag over zwijgen… en spreken. Niet verzwijgen, maar zwijgen, als beter dan spreken, soms. En soms is spreken beter dan zwijgen. Onze voorzitter houdt van kernwoorden: wat moet – wat kan (SoW), eerst proef, dan plan (over Time-Out)…

Als je aan de grenzen komt van het toelaatbare moet je soms de rechter laten spreken, daarom kun je beter al wat zeggen nog ver voordat je aan die grens bent. Zoiets zei de minister van Justitie. Het ging in de Tweede Kamer over satire en het koningshuis. Om dingen te laten lopen zoals ze lopen en je hoofd af te wenden en zo de dingen uit de hand te laten lopen zonder dat je er wat aan probeert te doen, zo zit ik niet in elkaar. Zoiets zei de minister-president.

Mag je vragen naar de grens tussen satire en belediging? Of moet je zwijgen, omdat de pers je toch kraakt? En als de grens tussen fictie en feiten vervaagt? Hoe zit ‘t met respect voor de ander? Als je zonder respect gaat praten (soms met een lelijk voorvoegsel erbij!) over een groep, duw je ze in een hoek, vanwaar uit ze terugkomen en hoe. Respect vragen voor mensen, ook een tikkeltje respect voor de mens met wat puberale pummeligheden, is dat betutteling?

Onlangs zei een programmamaker zonder mankeren: we zijn onze eigen norm. Maar de minister van justitie vraagt aandacht voor massaliteit en gestaagheid en oogst in Trouw (11/11) waardering voor zijn gedachte: je kunt liefde, trouw, vertrouwen allemaal belachelijk maken, maar wat houd je dan over? Alleen het tegenovergestelde! En ik ben blij dat zoiets publiek uitgesproken wordt.

Ik ken een predikant die zo zwart gemaakt wordt door een klein groepje van zijn gemeente, dat bij hem alle aardigheid in het werk stukje bij beetje wordt afgebroken. Om je hoofd dan af te wenden – zo zit ik ook niet in elkaar! En u, jij, hoe zit je zo’n beetje in elkaar? Wie heeft ons eigenlijk gemaakt? En hoe? En waartoe?

Ds. Scheltens