Februaristaking, 25 februari 1941 Herdenking na 75 jaar (in 2016)

Op 22 en 23 februari 1941 pakten de nazi´s in Amsterdam vierhonderd zeventig  joden op. De slachtoffers werden verzameld op het Jonas Daniël Meijerplein, het grote plein tussen de synagogen.

Dat plotseling oppakken is men gaan noemen: een razzia.

De bezetter had niet gerekend op de afkeer die dit antisemitisme zou oproepen. Tienduizenden Amsterdammers legden twee dagen later gedurende twee dagen het werk neer als protest tegen de vervolging van hun joodse stadsgenoten.

Trams bleven op 25 februari staan.

Dat was een teken voor heel de stad, zoals nu via een sms’je of een WhatsApp.

Daarom stonden afgelopen donderdag de trams in Amsterdam om elf uur een minuut stil. Uit respect.

Demonstreren toen, im Dritten Reich, was levensgevaarlijk. Dat beseffen we niet altijd, maar je moest precies in de pas lopen en afwijkend gedrag en een andere mening werden niet gedoogd.

(Die kant moeten we niet weer op in onze veeleisende tijd met licht ontvlambare verontwaardiging…).

Herdenken nu is niet gevaarlijk,  maar je voelt soms wel tot je schrik, dat waarden en medemenselijkheid soms een dun vernislaagje kunnen zijn.

Trams bleven dus op 25 februari 1941 in de remise staan.

En reed een tram wel uit, dan was dat niet voor lang. Een 18-jarige vrouw zag dat een groep mannen en jongens een tram omver probeerden te duwen. Ze besloot te helpen, zo schreef ze ´s avonds in haar dagboek. Ik citeer: “… en ja hoor, heel langzaam ging die tram omhoog en plof, daar lag die met conducteur en al, in nauw contact met Moeder Aarde. Er ging ´n hoeraatje op.”

 

De burgemeester van Amsterdam heeft donderdagmiddag een mooie toespraak gehouden, waarin hij opmerkte: “Het protest was de enige algemene staking tegen de Jodenvervolging in Europa, tijdens de hele Tweede Wereldoorlog. Het toont waartoe een volk in staat is, als het eensgezind en medemenselijk wil zijn. En wat empathie kan betekenen voor iemand in de verdrukking. Jacques Presser stelde in zijn boek Ondergang dat de staking, en ik citeer, “voor zeer vele Joden een van de machtigste ervaringen van hun leven tijdens de bezetting heeft betekend. De eenvoudigste formule ter verklaring hiervoor is wel, dat zij zich, al was het maar in een korte manifestatie, niet in de steek gelaten voelden. Achter hen stond openlijk een groep, vertegenwoordigend het Nederlandse volk, waar zij enige eeuwen in vrede tussen hadden gewoond. Die groep waagde het een meedogenloze vijand tegemoet te treden, bleek bereid tot het brengen van offers in goed en bloed: voor hen.” [Einde citaat]

 

Hoe dapper de stakers waren, is ook af te lezen aan het geweld waarmee de opstand op 26 februari tot een einde kwam. De bezetter reed schietend door Amsterdam en deinsde niet terug voor het gooien van handgranaten. Er vielen die tweede dag negen doden en 45 gewonden. Op 13 maart werden drie opgepakte stakers gefusilleerd. Later volgden meer executies. Drie stakers overleden in concentratiekampen.

 

De Februaristaking mag Amsterdammers trots stemmen, maar enkel als het leed van de joden in en na de oorlog nooit vergeten wordt. Die trots is ook vandaag gebonden aan medemenselijkheid. Als de stakers empathie toonden onder het juk van terreur, dan moeten wij nu zéker in de bres springen voor een ander, in volle vrijheid. Anders is onze trots op de stakers misplaatst.

Dat plichtsbesef is het minste eerbetoon waar de stakers recht op hebben. Moge een ieder in Nederland die overtuiging weerspiegeld zien in deze herdenking.”

Aldus burgemeester van der Laan, die ik met instemming citeer.

 

Ik hoop, dat de medemenselijkheid niet minder wordt, maar meer!

Als u begrijpt wat ik bedoel…

 

Joost Prinsen droeg nog vier gedichten op, waarvan één hier volgt: van Martin  Niemöller  (Duits theoloog)

 

Toen de nazi’s de communisten kwamen halen, heb ik niets gezegd;

ik was geen communist.

Toen ze de sociaaldemocraten kwamen halen, heb ik niets gezegd;

ik was geen sociaaldemocraat.

Toen ze de vakbondsleden kwamen halen, heb ik niets gezegd;

ik was geen vakbondslid.

Toen ze de Joden kamen halen, heb ik niets gezegd;

ik was geen Jood.

Toen kamen zij mij halen

en er was niemand meer om iets te zeggen.

 

Ds. Wim Scheltens